Sjezenrijden.

Het sjezenrijden is een bloeiende tak van de Ringrijders Vereniging te Gapinge.

Een vrouw en een man in klederdracht zitten bij deze vorm van ringsteken in een zogenaamde sjees. De dames steken de ring terwijl de heren het paard in een constante draf over het parcours sturen.
De geschiedenis van het sjezenrijden is jonger dan die van het ringrijden. Uit oude ansichten blijkt wel dat er al voor de Tweede Wereldoorlog in enkele dorpen op Walcheren en Zuid-Beveland met sjezen de ring werd gestoken.
In 1953 werd er voor het eerst een ‘grote’ sjezenwedstrijd in Middelburg georganiseerd. Het aantal deelnemende koppels was toen ongeveer twintig tot vijfentwintig. In 2007 zijn dat tussen de veertig en de vijftig deelnemende koppels.

De Ringrijders Vereniging te Gapinge heeft ongeveer vijftien actieve sjezenrijders en –rijdsters. Zij nemen deel aan onze plaatselijke wedstrijden in Veere, Vrouwenpolder, Serooskerke en Gapinge maar ook aan Z.R.V. wedstrijden en demonstraties van de Z.R.V.
In 1967 was er een dieptepunt in de sjezenrijderij. Aan de ‘grote’ sjezenwedstrijd in Middelburg deden toen maar acht koppels mee.
Toen, evenals bij het ringrijden te paard, het warmbloedpaard zijn intrede deed, nam het aantal deelnemers aan de wedstrijden weer toe.

Sommige deelnemers hebben een originele sjees aangeschaft en gerestaureerd. De meeste sjezen waren oude brikken waar behoorlijk wat aan gerepareerd moest worden.


           

 

 

 

                   Bovenstaande sjees voor en na de restauratie, door Wim Maljers.
 
Natuurlijk moet bij het sjezenrijden alles keurig verzorgd zijn. Dat geldt ten eerste voor de combinatie van paard en sjees. Beide moeten netjes versierd zijn. Zowel de sjees als het paardentuig moet in een goede staat verkeren. Bovendien moet het boerenpaar zich in originele klederdracht steken.
Sjezenrijden is voor de deelnemers een behoorlijk kostbare aangelegenheid. Er zijn deelnemers die een paard en sjees moeten huren. Veel sjezenrijders hebben de boerendracht zelf of van familieleden, maar soms moet ook de klederdracht worden gehuurd of geleend.

Tijdens sjezenwedstrijden zijn voor de mooiste combinaties prijzen beschikbaar. De combinaties worden door een jury beoordeeld.  De criteria bij deze jurering kunt u terug vinden op www.ringrijden.nl.

Het ringrijden in sjezen ontwikkelt zich tot een echte sport. Scores van honderd procent zijn geen uitzondering meer. Hoewel het kampioenschap fel begeerd wordt, is voor velen het meedoen aan de sjezenwedstrijd belangrijker dan het winnen ervan.

De sjees.

Het woord sjees is vermoedelijk een verbastering van het Franse woord “chaise”.
Het was indertijd hier te lande een bekend tweewielig rijtuig. Het is een hoog model en heeft meestal een kleine, in riemen hangende bak. Vaak is de sjees rijkelijk voorzien van snijwerk.
Geen sjees is hetzelfde, al ziet men dit niet op het eerste gezicht. Dit rijtuig werd door vakbekwame wagenmakers gemaakt, het was beslist geen fabrieksartikel. Iedere wagenmaker had zijn eigen idee en inbreng over het model. Ze zijn overwegend geschikt voor één of twee paarden. Bij veel sjezen kon men het bakje uit het raam lichten en op een onderstel van een slee plaatsen, zodat het voor twee doeleinden geschikt was. Oorspronkelijk werd de sjees door boeren gebruikt als vervoermiddel naar de markt en de kerk. Er bestaan verschillende soorten sjezen. De meest voorkomende sjezen zijn zogenaamde Tilbury (waar ook weer verschillende soorten van bestaan), de Buggy, de Dogkar en Demi-Dogkar, de Cabriolet, de Tonneau en Demi-Tonneau en verschillende soorten kapkarren. Er is een duidelijk verschil tussen sjezen en karren, de sjezen hebben grotere wielen en zijn sierlijker uitgevoerd. Tegenwoordig zijn vele sjezen ook in wat moderne of trendy kleuren geschilderd, maar uiteindelijk behoren zij in de originele oude kleuren die hiervoor zijn te schilderen en te bebiezen. Wat het biezen betreft, hier zijn ook normen voor wat wel en wat niet bebiest moet worden. Ook hier geldt dat ieder soort sjees of tweewielige kar aan een bepaalde kleur opbouw voldoet. Hierbij kan men dan ook bepalen uit wat voor streek of land van herkomst hij is.

 

Versiering van de sjees.

Dit wordt gedaan met natuurlijke bloemen en groen, dit is naar eigen keuze en inzicht.
Wat voor soort bloemen en groen is niet belangrijk, het moet in kleurencombinatie staan met paard en sjees en de kleding van de boerin. Iedere deelnemer heeft hier een vrije keus in

Het paard.
De sjees wordt eigenlijk met een luxpaard gereden (een tuigpaard of K.W.P.N paard)
Bij het sjezenrijden komen we veel verschillende rassen tegen, vooral trekpaarden, maar ook Friese paarden, tuigpaarden, warmbloed paarden, haflingers en fjorden. De trekpaarden zijn ook nog onder te verdelen in verschillende soort rassen. Over het algemeen zijn het grootste aantal de trekpaarden, tijdens demonstraties die door de Z.R.V. georganiseerd worden mag enkel maar met trekpaarden gereden worden. Om aan het ringsteken met sjezen deel te nemen is een betrouwbaar en gemakkelijk paard een eerste vereiste. Het trekpaard vormt hier ook een belangrijke rol, zij vormen een afzonderlijk ras binnen de soort paarden. Ze werden niet alleen voor kracht, maar ook op karakter gefokt. Alleen trekpaarden met een goed karakter mochten op de boerderij blijven en werden ingezet voor de fokkerij. Het trekpaard is dan ook befaamd om zijn werkwilligheid, gehoorzaamheid en vriendelijke karakter. Dat wil niet zeggen dat andere rassen niet geschikt zouden zijn voor het sjezenrijden. Vaak zijn deze wat actiever en grillegger van karakter. Wanneer deze goed zijn betuigd en afgericht kunnen ze uitstekend geschikt zijn en zorgen ze voor een mooie uitstraling voor de sjees. Het is belangrijk dat paard en koetsier goed op elkaar zijn afgestemd. Het is geen vanzelf sprekendheid dat een paard dat goed voor de wagen loopt en trekt (vierwielig) ook geschikt is om voor de sjees te lopen, dit geeft namelijk een heel andere beweging op het paard en zou hier wel eens anders op kunnen reageren.

Versiering van het paard.

Het paard moet netjes getoiletteerd zijn.
De manen van het paard worden gevlochten. Naar gelang van het paardenras maakt men de keuze van het vlechten.
De staart wordt gevlochten, dit is voor een korte staart één vlecht en voor een lange staart drie vlechten.
Het vlechtwerk moet onderhands gevlochten zijn.
De versiering van het vlechtwerk kan met bloemcorsages, wolletjes, lintjes, strikjes of pompoenen, de keuze is aan de deelnemer zelf.
Het totale beeld moet met elkaar een passend geheel zijn.

 Het tuig.

Het tuig waar men mee rijdt is een borsttuig of een gareeltuig met breed schoft, doorschuivende draagriem en lichtogen. Evenmin mag de boogzweep met zweepkoker met schuine insteek niet ontbreken. Katoenen leidsels en touwstrengen zijn ook toegestaan.
Het tuig dient van goede kwaliteit en goed onderhouden te zijn, zodat het betrouwbaar is om het paard mee in te spannen en mee te werken. Over het algemeen wordt een borsttuig met lederen strengen en lederen leidsels gereden. Een gareeltuig met touwstrengen en katoen of touwleidsels. Het tuig is van de beste ledersoorten en kwaliteiten gemaakt. Het tuig dient altijd na gebruik goed schoongemaakt te zijn en ingevet en nadat het vet goed is ingetrokken wordt het uitgepoetst. Nooit met olie of zo weinig mogelijk gebruiken, dit doet namelijk de stiksels verteren. Een goed onderhouden en mooi tuig is een sierstuk op het paard en voor de sjees. Het tuig hangt men netjes op gevormde ophangstukken zodat het in model blijft in een droge ruimte, controleer altijd of er stukken tussen zitten van slijtage om die zonodig te vervangen of te repareren, zodat het klaar is voor het    volgende gebruik.

 

 

 

 

De klederdracht.

In onze vereniging zien we voornamelijk de Walcherse klederdracht en dan wel de zondagse.
Allereerst draagt de boerin een beuk, deze is aan de voorkant gerimpeld en soms ook versierd. Hier overheen draagt men een jak van fluweel of merinos, leuk om te weten is dat zo’n jak uit 1 lap stof wordt gemaakt zonder dat deze verknipt wordt. Aan de achterkant van het jak wordt een wit doekje gespeld of genaaid. Over de schouders draagt men nog een fijn gehaakt of gebreid avonddoekje.

De vrouw draagt twee onderkeuze (onderrokken), een witte met mooie kanten rand van onderen en een zwarte van kamgaren met aan de onderkant een bezembandje. Op de witte onder keus komt een schortezak op de rechterheup die wordt vast gemaakt door twee linten die om het middel worden geknoopt. Over de twee onderkeuzen komt de zwarte merinosschort, deze wordt hoog in de taille gedragen en is aan de achterkant afgewerkt met zwart galon. De rokken en het schort komen tot op de enkels. Onder de rokken draagt men dikke gebreide kousen en eenvoudige zwarte schoenen met een klein hakje.

 

 Dan de muts; De ondermuts is van Zwitserse broderie en is gesteven in meestal rouwe stijfsel, hierin worden de krullen gespel. Het haar wordt over een brede rol op het voorhoofd gedragen “het streeksel”, en wordt verder weggewerkt onder de ondermuts. Op de ondermuts komt de glanzend gesteven bovenmuts, deze is aan de achterkant geplooid en wordt gedragen achter op het hoofd. In de ondermuts worden naast de krullen ook nog twee of drie paar gouden sierspelden gestoken.
Rond de hals wordt een ketting gedragen van 4 of 5 snoeren bloedkoralen of gitten die met een rond gouden slot worden gesloten. Sommige boerinnen dragen ook nog een horloge ketting.

De boer; Een zondagse boer draagt een zwarte broek, vest en rok (jas) gemaakt van zwart laken. Hieronder draagt hij een boezeroen van kamgaren met in het halsboordje twee gouden knopen. Verder draagt hij rond de hals een halsdoek met daarin een platte knoop aan de voorkant en onder die knoop een gouden broche.
De broek van de boer is een klepbroek en wordt gesloten met twee zilveren klepstikken en twee zilveren broekstikken. Op het hoofd draagt hij een vilten hoed of een petje met glimmende klep.

 

Bij jonge kinderen is de jongensdracht vanaf dat ze zindelijk zijn vergelijkbaar met de mannendracht. Voor die tijd dragen de jongens een soort jurkje gemaakt van de restjes van de mannendracht, bijvoorbeeld van de boezeroen. Wel was het zo dat de arbeiders zoon geen zilveren broekstukken had maar lerenhiervan zijn er maar erg weinig bewaard gebleven omdat deze  weinig waarde hadden.

                             

 

Bij de meisjes zijn hier een aantal duidelijke verschillen met de boerinnendracht.
Meisjes tot en met 5 jaar dragen een wit onderjurkje met op de rechter heup een zakje om de middel geknoopt. Daarop een jurkje in een andere kleur, deze kleur varieert, maar is gemaakt van katoen of wol, hierboven komt weer een wit schortje wat is afgezet met mooi kant aan de onderkant en bij de mouwtjes.Net boven het kant zijn een aantal plooien in het schortje gemaakt, hoe meer plooien hoe rijker je was, je had dan geld om meer stof te kopen. Verder droegen ze een zwarte maillot en eenvoudige zwarte schoenen. Op het hoofd dragen ze een gehaakt mutsje, soms met kraaltjes versiert. Zodra de meisjes zindelijk waren kregen ze ook een gesteven ondermutsje met krullen onder het gehaakte mutsje, dit deden ze pas dan omdat de beugel aan de krullen niet prettig was als de luier verschoond moest worden.
Zodra de meisjes 6 jaar werden kregen ze een klederdracht die lijkt op de boerinnendracht, met als grootste verschil de muts. Meisjes dragen een lange of kindermuts van mooi broderie, het haar zit in een scheiding. Vanaf hun 15e jaar gaan de meisjes de volwassen muts dragen.

Het spel.

Het is de bedoeling dat de man het paard ment en deze met een constante draf over het parcours stuurt.
Afhankelijk van de grote van het parcours hangen er onderweg 2,3 of 4 ringen met een doorsnee van 38 millimeter. Deze ringen hangen in een bus aan een touw, waarbij het touw gespannen is tussen “de poengers” (twee palen) en waarbij de onderkant van de bus een hoogte heeft van 2.10 meter vanaf de grond. Met een lans probeert de vrouw onderweg zoveel mogelijk ringen te steken.

Bij iedere ring zijn een schrijver en een ringhanger aanwezig om van iedereen de hoeveelheid gestoken ringen te noteren en de ring weer opnieuw in de bus te hangen voor het volgende koppel. Aan het eind van het parcours staat een wagen waar door de rijders zelf de score wordt doorgegeven en waar ook het publiek kan zien hoeveel ringen er gestoken zijn. Aan het eind van de dag worden de scores bij de ringen en de score op het bord vergeleken waarbij het belangrijk is dat de score bij de ring doorslaggevend is.
Aan het eind van een dag sjezenrijden komt het vaak voor dat er een aantal combinaties een gelijk aantal ringen hebben gestoken. Om te kijken wie de winnaars zijn moeten ze dan kampen. Dit gebeurd op steeds kleiner wordende ringen waarbij de kleinste ring van 10 millimeter regelmatig in de bus komt.

In sommige dorpen rijden de sjezenrijders ook wel een boerenronde. Hier worden de rollen omgedraaid en gaat de man proberen de ring te steken en de vrouw het paard mennen.

In Veere is het traditie om een aantal publieks rondes te rijden; de dames stappen uit de sjees en laten mensen uit het publiek in stappen zodat ze ook eens kunnen proberen de ring te steken. Na deze ronde hoor je vaak dat het toch niet zo eenvoudig is als dat het lijkt!

Nieuws

De uitslag en de foto's van het ringrijden op camping 'Olmenveld' staan op de website.